Het “wier” van Wieringen

Het "wier" van Wieringen

Ooit groeide het zeegras in de Waddenzee

Het “wier" van Wieringen

Wier en Wieringen. De naam “Wieringen" roept direct associaties op met het vroeger veel gebruikte zeewier. Echter, de oorsprong van de naam ligt waarschijnlijk elders. Eén van de mogelijke verklaringen kan worden gevonden in het begrip “wir", dat Oud Fries is voor “hoogte". Geen verwonderlijke verklaring voor deze hooggelegen bult te midden van veen of zee. Je kunt je goed voorstellen hoe deze “hoogte" al duizenden jaren een toevluchtsoord voor de mens vormt. Enkele archeologische vondsten getuigen hiervan.

In de loop van de Middeleeuwen werden de hoge delen van het landschap belangrijker. De invloed van de zee nam sterk toe. Een groot deel van het omliggende veen werd door de zee weggeslagen. Om het eiland tegen verder gaande afslag te behoeden, ging men over tot de aanleg van dijken. De eerste dijken dateren uit de 11e eeuw. Zo’n dijk bestond veelal uit een metershoge, dikke muur van gestapeld zeegras (de wierriem), die aan de binnenkant (de landzijde) versterkt werd door een aarden wal.

Dit “wier" was dus eigenlijk geen zeewier, maar groot zeegras (Zostera Marina), een grasachtige plant die groeide op de wadplaten in de omgeving van het eiland. Het zeegraspakket werd op z’n plaats gehouden door een rij houten palen. In 1732 kwam de paalworm echter mee met de Oost-Indiëvaarders en deze vrat zich een weg door de zeewering. Men werd genoodzaakt de houten palen te vervangen door stenen.

Heden ten dage is op enkele plaatsen het wierpakket nog zichtbaar, zoals de Hoelmerdijk en een gedeelte van de Hippolytushoeverdijk aan de zuidzijde van het eiland. Op deze plaatsen is na de inpoldering van de Wieringermeer de steenglooiing verwijderd. De wierdijk is daar in min of meer oorspronkelijke staat te bewonderen.

De dijken hebben de eilandbewoners de afgelopen eeuwen tegen de zee weten te beschermen. Deze bescherming tegen de zee gold niet alleen voor de woonplaatsen op de keileemheuvels, maar ook voor de graslanden in de kogen. De kogen waren door de slechte afwatering  ongeschikt voor akkerbouw en veeteelt. Hierdoor bedreef men akkerbouw en veeteelt op de heuveltoppen en had men hooilanden in de laaggelegen kogen. Nog steeds is dit patroon van bewoning, akkers en graslanden herkenbaar in het landschap.